Gedichten

Poëzie van Jan Diek van Mansvelt

Naast zijn wetenschappelijke en landbouwkundige werk schreef Jan Diek van Mansvelt ook poëzie. In zijn gedichten klinkt dezelfde aandacht voor natuur, aarde en menselijke verantwoordelijkheid door.

De teksten nodigen uit tot stilstand en aandachtig kijken — dezelfde houding die ook in zijn landbouw- en ontwikkelingsvisie centraal staat.

Mijn lied voor de aarde

Liedtekst en context

Als eerste de liedtekst van Mijn lied voor de aarde, waarin de verbondenheid tussen mens en aarde centraal staat.

Wat ik zing is een lied voor de aarde
Onze aarde gaat iedereen aan
Zij's uniek in 't heelal en zo kwetsbaar
En zij is er voor ons allemaal

Dat zij overal aarde vernielen
En met landbouw dat doen bovenal
Dat is toch wel bijzonder beschamend
Onze hebzucht vernielt haar totaal

Onze kunstmest verziekt het bodemleven
De gewassen gedijen niet goed
En dan gaan we ze ook nog gif geven
Dat verziekt het milieu en ons bloed.

Wil je zelf de verantwoording nemen?
Koop dan eten van boeren alleen
Die met hart en ziel landbouw bedrijven
Bodemvruchtbaarheid op nummer één.

Wil je werkelijk menswaardig boeren?
Sluit de aarde dan diep in je hart.
Houdt natuur, plant en dier steeds in ere.
Heb met hoofd, hart en handen ze lief!

De opname van het lied is te bekijken op de pagina Media.

Gedicht

De maan

De maan wordt uit de avondzon geboren,
terwijl hij groeit, krijgt hij zijn licht van haar,
toch groeit hij van haar weg,
zijn onbelichte kant na:
zijn levenswil, die allengs wordt belicht.

Als hij dan vol raakt, wordt het ineens anders.
Dan wordt hij door de ochtendzon geraakt,
naar wie hij van begin af aan op weg was,
eerst duister, achteromziend, en onwetend,
nu vol belicht, totaal in hier en nu.

Naarmate hij dan afneemt, wordt hij smaller,
komt later op, en wordt de ochtend maan.
Zo raakt zijn taak allengs volbracht.

En vol verlangen glanzend
gaat hij als sikkel,
voldaan op
in de ochtendzon.

Tot hij, vol nieuwe moed, ragfijn belicht,
de avondzon verlaat, zijn moeder, het verleden,
om weken later,
wijzer dan voorheen
te sterven in zijn vader: ochtendzon.

26 – 11 – 2016

Fasen van de maan boven een landschap
Gedicht

Springtij

Strak staat de duiker
verend op de plank
ziet daar beneden
het bodemloze bad

Maar ach, dat is vandaag gesloten.
Als hij nu duikt breekt hij zijn nek.

Badmeester peilt vandaag het bad
dat moet voldoen aan nieuwe eisen,
hij wil niets liever dan daaraan voldoen.

Zo staat de duiker eenzaam op die plank.
Zijn spanning zakt. Hij heeft verkeerd gepland.

Hij luisterde niet goed naar zijn ervaren trainer
en keek vol duik-zin aan de badtoestand voorbij.

De badmeester had de duiker graag geholpen:
zijn fraaie diepe duik-bad heeft hij toch niet voor niets.

Alleen: het is niet altijd warm en open.
Er is soms even, onvoorzien, iets mis.

De duiker is ook vaak humeurig of vol angsten.
Soms wil hij wel, soms niet.

Dan ligt het bad daar eenzaam en verlaten
en doet de badmeester het deksel stevig dicht.

Van onder en van boven is verlangen:
het bad wil vol zijn en de duiker diep.

Laat beiden zich door liefde laten leiden,
de zelfzucht telkens weer een tijdje aan de kant.

Voel samen veilig zittend op de badrand
wanneer het springtij is
die naar vervulling zucht,
vervulling in omarmen.

Totdat de vloed weer wegebt
in geluk van bad en duiker,
trainer en badmeester,
in liefde samen werkend,
samen sterk.

Gedicht

Wanhoop niet

Diep in je,
in de kern van je hart,
in het merg van je botten
leeft een goddelijke vonk
die onblusbaar is.

Wel kun je hem telkens weer
met van alles en nog wat afdekken.

Zodat je hem niet hoeft te zien of te voelen.
Zijn troost en inspiratie kunt negeren.

Onverstoorbaar wacht die vonk
tot je hem lief wilt hebben
en reddend toelaat in je ziel.

Sterrenhemel met een vallende ster